Het geluk kon niet op. Kauwend op een halflauwe vette oliebol met rozijnen hoorde Wim de laatste drie cijfers van de oudejaarsloterij.
‘Vijf, drie, acht!’ riep Marc Klein Essink, getooid in een bandplooibroek en glimmend kort jasje, in de grotesk opgezette show, midden jaren negentig.

Zijn bek viel letterlijk open, kwijl vermengd met het plakkerige deeg droop via zijn mondhoeken naar buiten, om zich als lelijke plekken op het vaalblauwe shirt dat strak om zijn bierbuik zat, te nestelen.
Evelien was met stomheid geslagen. De jackpot, drieëntwintig miljoen gulden, was gevallen op het lot, dat zij zorgvuldig had uitgekozen bij de sigarenboer op de hoek. Iets met achten, eindcijfer acht, of, in ieder geval, nummers die bij elkaar opgeteld een acht vormen. Evelien had Wim het lot, samen met het pakje zware van Nelle met oranje rizla vloei gegeven, in de hoop dat deze laatste avond van het jaar de eerste leuke avond samen zou worden.

Het geld stonk niet, maar bracht Evelien geen geluk. Wim had zijn eigen bedrijf opgezet, een aannemersbedrijf dat vooral serres en aanbouwen realiseerde voor louche types, waarvan je je afvroeg hoe ze zich een dergelijk groot huis konden veroorloven, zonder zwart geld of handel in minder legale middelen.

De grote bombastische villa, die ze vrijwel direct na het winnen van de loterij gekocht hadden, voorkwam dat ze elkaar tegen het lijf liepen. De enige bindende factor, de kinderen, werden liefdevol opgevangen door de aangestelde gouvernante.

Evelien was zoekende, zoekend naar geluk, liefde en aandacht. Iemand die spontaan ‘ik hou van jou’ zou zeggen, op het moment dat ze aan de liefde twijfelde. Iemand, die alles was wat Wim niet was. Wim, de vadsige bouwvakker die te pas en te onpas aan iedereen liet zien hoe goed hij in de slappe was zat. De bouwvakker die elke avond in zijn eigen thuisbioscoop, gebouwd in de kelder van de riante villa, extreme seksfilms keek op het high definition scherm met een doorsnede van over de twee meter, steevast met een pijpje Heineken in zijn rechterhand…

Het was de achtste augustus, toen Wim mijmerend in zijn auto zat, onderweg naar een klant in de stad.
Het was een vreemde gewaarwording. Wim overdacht zijn bestaan, wat er gebeurd was na die fortuinlijke avond, midden jaren negentig. In een flits besefte hij dat hij zijn vrouw was kwijtgeraakt, verloren. Ze waren uit elkaar gegroeid, gescheiden door het geld. Nog ontdaan van de voor hem vreemde gedachte liep Wim via de achterdeur de keuken in van het etablissement, alwaar hij de bouwtekeningen door zou nemen met de eigenaar van lunchroom ‘Provisoir’.

Lachend kwam een serveerster, getooid in een traditioneel zwart jurkje met witte schort de keuken binnen.
‘Nog zo’n verliefd stel en we zijn door de taart heen’, riep ze enthousiast uit, terwijl ze knikte naar het tafeltje links achter in de hoek. Wim richtte zijn blik op, terwijl hij zijn duimstok inklapte. Zijn ogen rolden uit zijn kassen. Daar zat ze, Evelien, samen met een volstrekt vreemde man, type “kak”, giechelend hapjes taart te snoepen.

Het werd zwart voor zijn ogen, gevolgd door scharlakenrood. Hij verfrommelde de bouwtekening tot een grote prop en duwde deze met lichte druk tegen de buik van de eigenaar van de lunchroom.
‘Hiero, hedde gij uw zooi!’ sprak Wim woedend uit. Stampvoeten liep hij de zaak uit, al vloekend en tierend richting zijn, op de invalidenplaats geparkeerde auto. Met veel gas startte hij de dikke acht cilinder en met piepende banden reed hij de straat uit, tegen het verkeer in.

Het stuur zat zwetend in zijn knoesten geklemd. Zijn rechtervoet drukte het gaspedaal stevig tegen de bodem. De automaat schakelde een keer terug, kickdown.
Op dat moment zag Wim vanuit een ooghoek Evelien staan, zwaaiend met een briefje in haar hand. Overmand door blinde woede verstijfde zijn rechter voet, zijn blik op oneindig.
De verchroomde koeienvanger van zijn gitzwarte, met geblindeerde ramen uitgevoerde Hummer raakte Evelien op borsthoogte. Zijn achterwiel sprong even omhoog. De ruitenwissers trokken rode strepen van bloed over het donkere glas van de voorruit. Wim zag het niet. Het was hetzelfde scharlaken rood als voor zijn ogen.

© 2010 Raoul Slavenburg

Tegenblog van Jolka’s Provisoir

Advertenties