Dag dertig, genoeg dagen om het één maand te noemen, al tellen slechts 1/3 van alle maanden die we kennen 30 dagen.

30 dagen, ruim vier weken, één maand, er is in die tijd een hoop veranderd, en eigenlijk toch ook weer niet. Ik rook niet, ik roep het te pas en te onpas, vooral tegen mezelf.

Voor de omgeving is het inmiddels normaal dat ik niet rook, niet roken valt niet op. Het beeld van mijzelf met een sigaret is binnen vier weken volledig verdwenen en daarmee het stoere imago waarmee de reclamemakers mij jarenlang hebben geïndoctrineerd, ik ben nog net zo stoer, al zeg ik het zelf.

Wat positief zou moeten zijn, is mijn sterk verbeterde reukvermogen. Ik ruik meer, veel meer, en geloof me, dat is niet altijd een zege. Vaak kan ik de geurtjes niet thuisbrengen, de databank van geuren in mijn hoofd is door de blokkade van jarenlange sigarettenrook, enigszins beperkt. Op een één of andere manier worden onbekende geuren ingezet om de die andere behoefte die keihard zijn intrede heeft gedaan na het stoppen met roken, te versterken tot welhaast onbeheersbare proporties. Elke geur is een geur van eten. Hondenbrokken ruiken naar de nasi van de lokale afhaalchinees, benzine doet de behoefte tot het consumeren van een onmenselijke hoeveelheid frikadellen aanwakkeren op een zodanige wijze dat ik me met moeite kan dwingen om af te tanken alvorens de gehele voorraad frikadellen van de snackbar in één bestelling afhandig te maken. Overal waar ik loop, zie ik eten, maar erger nog, ruik ik eten. Zodra er een nieuw zweempje geur mijn neus kriebelt, zie ik katjesdrop, tosti’s met ham en kaas, goedkope baconchips van een vaag Duits merk, broodjes kebab of complete driegangen maaltijden.
Meer

Advertenties